pas van 5150 meter hoogte





China/Tibet/Nepal



back

Home
Reisverslagen
Fotoserie






Panoramafoto's:

- klim naar de pas
- de pas op 5100 m
- weg langs 't meer
- naar het Basecamp
Everest camp
- shortcut
- hoogvlakte
- offroad naar Tingri



Het is september 2005. Na een 15-daagse Ruslandreis (De Gouden Cirkelroute) voor Summum Reizen gedaan te hebben mocht ik, na een weekend thuis geweest te zijn, alweer richting China reizen. Dit keer wordt het een 25-daagse China-Tibet-Nepalreis met een bezoek aan het Mount Everest Basiskamp.

Behalve dit verslag kun je ook China , China/Tibet 30-daagse , China/Drie Klovendam en Indochina bekijken waar meer over China te lezen is.

Beijing
Het is maandag 19 september 2005. Toen ik niet lang na het opstijgen uit het vliegtuigraampje keek een paar rivieren zag liggen, herkende ik al snel de Utrechtse Heuvelrug en Wageningen en daarna volgt natuurlijk.... Arnhem!! Leuk om van alles te herkennen.

Het mailen hier in het hotel in Beijing gaat erg gemakkelijk. Dit doe je in het 'Businesscentrum'. Inmiddels heb ik in mijn mooie Chinese-stijl kamer alweer een paar uur geslapen na de landing om 8.30 uur 's ochtends. De vlucht zelf viel me vies tegen omdat ik nauwelijks heb kunnen slapen. Nadat ik aan het eind van de middag na een verkennende wandeling terugkeerde was mijn bed alweer opgemaakt en de gebruikte handdoeken vervangen! Wat een service!!

Zonnefornuis in TibetHet duurde even voordat ik in het hotel arriveerde want de taxichauffeur wist het absoluut niet te vinden. Al snel toen ik dat door had heb ik hem het telefoonnummer van het hotel gegeven zodat ze hem de route via zijn mobieltje konden uitleggen. Ook hier heb je airporttaximaffia want deze taxichauffeur wilde me eerst naar een ander hotel brengen waar hij natuurlijk commissie kon krijgen. Bovendien heb ik toch iets teveel betaald. Maar goed, dan hadden ze het juiste bedrag maar in het draaiboek moeten vermelden.
Op het vliegveld heb ik meteen een simkaart van China Mobile aangeschaft zodat ik makkelijker kan bellen en zelf goed bereikbaar ben voor de locale agenten en gidsen. Vanuit de taxi heb ik maar meteen de agent hier gebeld en die zorgde meteen voor de nodige verwarring. Volgens hem zou de groep in het 'Yellow River Hotel' verblijven?? In het hotel waar ik zou verblijven hadden ze gelukkig wel een reservering voor onze groep gedurende twee nachten. 

Het is leuk om hier weer rond te kijken en de vreemdste vervoersmiddelen langs te zien komen. Ook zag ik daarnet zomaar ergens midden op een stil trottoir een oude man op een stoel geknipt worden. Nee.., ik had nog niet de behoefte mijn beurt af te wachten haha.

Mount Everest in de achtergrondDe volgende dag heb ik de groep van 16 mensen opgehaald. Gelukkig was het na een druilerige dag gisteren nu zonnig zodat de stad er tijdens de busrit naar het hotel wat aangenamer uitzag.  Vrij snel na aankomst hebben de locale gids Dragon en ik ze meegenomen voor een fietstochtje door de oude volksbuurt (hutongs geheten). Met z'n tweeën in zo'n fietskarretje je relaxed rond laten rijden. We zijn bij een familie in huis geweest en zagen hoe simpel de mensen leven. Vol trots liet de huisvrouw haar magnetron zien. Daarna naar een locale markt om te zien wat voor producten men hier eet.Tegen het eind van de middag zijn we met de metro naar het Plein van de Hemelse Vrede gereisd om het mausoleum van Mao en het strijken van de vlag te zien. 's Avonds Peking Duck gegeten.

De volgende dag zijn we naar De Muur en het Zomerpaleis geweest. De gids Dragon is een hele aardige en behulpzame gids, maar zijn Engels is nog niet zo goed dat hij alles begrijpt wat ik zeg. Hij zegt al gauw: 'Jajaja', terwijl hij het achteraf helemaal niet blijkt te begrijpen. Dit zorgt soms voor misverstanden omtrent de plaatsen waar we afspreken elkaar te ontmoeten. Gelukkig kunnen we ons per mobieltje naar elkaar toe praten.
's Avonds met de hele club naar een acrobatenvoorstelling geweest. Iedereen was wildenthousiast. Het is ook wel knap wat ze allemaal laten zien.

De dag erna zijn de pax (term uit de vliegwereld) zelf op stap geweest en de eersten kwamen gelukkig om 17 uur weer binnen. Ook weer enthousiast. Het is een leuke groep met ervaren reizigers. Om 18 uur vertrokken we naar het treinstation voor de nachtrit naar Xian.

Zelf ben ik vanochtend even snel naar een park geweest waar de oudjes gymnastieken, stijldansen, spelletjes doen en kleine voorstellingen geven. Ik had een leuke ontmoeting met een oude man die wat Engels sprak. Hij wilde natuurlijk weten waar ik vandaan kwam en vervolgens haalde hij een Chinese Atlas uit zijn jaszak waar Nederland met allerlei wetenswaardigheden ook in stond. Ik wees op Arnhem en toen sprak hij de Chinese tekens perfect als 'Arnhem' uit. Ik was natuurlijk sprakeloos. Uiteraard heb ik er wat foto's van gemaakt. 
De nieuwe digitale camera bevalt uitstekend, vooral het feit dat hij zo supersnel opstart en een flitsje heeft is geweldig. De Chinezen vinden het prachtig als je foto's van ze maakt en ze dan laat zien.
De hele middag heb ik besteed aan boekhouden, bussen regelen voor de verschillende excursies enz. Erg handig hoor dat mobieltje. De locale agenten hebben me al diverse keren gebeld. Daarna heb ik me nog even laten verwennen bij de hotelkapper. Eerst wassen, toen perfect knippen en nog een keer uitspoelen met een conditioner en dat voor maar zo'n 2,5 euro.

Xian
De nachttrein naar Xian is het toppunt van luxe. Iedereen (in onze klasse) heeft een flatscreen bij zijn voeteneinde met de nodige Chinese tv-zenders. Zelfs een Engelstalige.
Ook in Xian hebben we weer een vrij luxe hotel op loopafstand van het centrum waar we een rondwandeling doen door de zeer levendige moslimwijk. Hier vindt bijna iedereen het wel leuk om op de foto te komen. Ik herken zelfs twee oude mannetjes die hier twee jaar geleden ook, op precies dezelfde plaats, zaten te dammen of iets dergelijks.
Bij het Terracottaleger was het drukker dan ooit, maar dat heeft te maken met het feit dat veel Chinezen nu ook vakantie hebben. 

Chengdu
Vanuit Xian reizen we wederom met een nachttrein naar Chengdu. Dit keer minder comfortabel, maar wel met een gezellige restauratiewagon waar we met een paar durfals zijn gaan eten. Niet iedereen is gecharmeerd van het 'echte' Chinese eten. Ons smaakte het meer dan goed en met een Chinees biertje erbij....

In Chengdu dat meer westelijk ligt bezoeken we het 'Gigant Panda Breeding en Researce Centre'. Het is een mooi opgezet centrum en omdat we er 's ochtends zijn, zijn de panda's behoorlijk actief. Ze eten vooral speciaal uit de bergen aangevoerd bamboe, maar hun lekkernij zijn stukjes appel. Ook zien we een jong van een maand oud dat bij zijn moeder ligt te zogen.

Wel eens van Red panda's gehoord? Nou, hier hebben ze ze. Ze lijken enigszins op wasberen, maar dan roodbruin van kleur en veel kleiner dan de grote panda's.
's Middags bekijken we het centrum van de stad waar een enorm beeld van Mao een groot plein domineert en 's avonds eten we de locale 'Hotpot' in een klein open eethuisje. Hotpot is een soort vis/vlees/groentefondue waarbij na afloop alle stokjes worden geteld voor de afrekening.
Daarna geef ik uitleg over de komende 10 dagen die we op een hoogte van minimaal 3500 meter zullen doorbrengen. De kans om hoogteziekte te krijgen is groot omdat we in één keer van 500 naar 3500 meter hoogte zullen vliegen. Heel veel drinken is erg belangrijk en vooral de eerste dagen rustig aandoen leg ik uit. De meeste uit de groep vinden het alleen maar spannend en kijken, net als ikzelf, erg uit naar dit deel van de reis. We gaan op tijd naar bed want morgen moeten we vroeg op voor de vlucht naar Tsetang in Tibet.

top 

Tibet
Ikzelf sta vroeger op dan de groep om met de bagage alvast naar het vliegveld te gaan om op tijd in te checken zodat we misschien allemaal aan een linkerraam kunnen zitten. De kant die de mooiste uitzichten biedt.
Soms zijn de vluchten overboekt waardoor je op een volgende vlucht moet wachten. Deze keer valt het mee en heeft bijna iedereen een raamplaats op de vlucht van 7.40 uur. Een ieder is gewapend met een grote fles water om de hoogteziekte zoveel mogelijk de kop in te drukken. Met een indrukwekkend uitziend Tibet-permit, voorzien van de nodige stempels, passeren we zonder al te veel problemen de douane.
Het is gelukkig helder weer waardoor de uitzichten adembenemend zijn. In de verte zien we de besneeuwde bergtoppen al liggen en onder ons hier en daar een kleine nederzetting in een desolaat landschap. Het aanvliegen op het vliegveld na 1.45 uur is ronduit spectaculair. Met een wijde boog stuurt de piloot het toestel ogenschijnlijk vlak langs een bergkam om zo recht voor te landingsbaan uit te komen. 

Tsetang
Onze Tibetaanse gids Migmar (dit betekend 'Dinsdag', hij is op dinsdag geboren) staat ons al op te wachten. Met de bus gaan we langs een brede rivier richting Tsetang. Het weer is hier trouwens niet slecht. Overdag zo'n 20 graden.  In Tsetang aangekomen checken we tot ieders verbazing wederom in in een zeer luxe hotel en bezoeken we na een Tibetaanse lunch de oudste vesting van Tibet. Tegenwoordig is hier het Yumbulagangklooster in gevestigd. Het is nog een forse klim van 80 meter voor we op de hoogste verdieping van het klooster staan. Degene die zijn gaan lopen zijn buiten adem vanwege de ijlere lucht en het feit dat we nog helemaal niet geacclimatiseerd zijn. Zes mensen gaan op de rug van een paard of een yak naar boven. Achteraf gezien helemaal niet zo'n gek idee. Daarna is het Tandrukklooster aan de beurt waar we meer dan manshoge gebedsmolens kunnen bewonderen. Deze Boeddhistische molens dienen altijd met de klok mee gedraaid te worden waardoor de gebeden naar hogere sferen worden gezonden.

In de namiddag bezoeken we zonder Migmar de authentieke Tibetaanse wijk die nog geheel bestaat uit primitieve woninkjes. Inmiddels heeft iedereen een licht gevoel in het hoofd gekregen met wat lichte hoofdpijn. De eerste symptomen van hoogteziekte. We besluiten vroeg te eten met vooral veel soep en daarna naar bed te gaan om zoveel mogelijk te rusten. Ook 's nachts wordt iedereen wel een paar keer wakker van de dorst.

Lhasa
De volgende ochtend blijken drie mensen misselijk te zijn geworden door de hoogte. Zij mogen voorin de bus zitten als we op weg gaan richting Lhasa, de hoofdstad van Tibet. Maar eerst bezoeken we het oudste klooster van Tibet uit de 11e eeuw. Met een houten boot steken we in ruim een uur de brede Bramaputra rivier over. Deze mondt uit in Bangladesh. Op de plecht zitten een aantal monniken.
Aan de overkant wacht een gammel vrachtwagentje dat ons naar het klooster brengt. Er lopen tientallen pelgrims rond uit het westen van Tibet. De vrouwen hebben hun lange haren allemaal in tientallen dunne vlechtjes die samenkomen en waaraan dan een kleine buidel hangt.
We bezoeken o.a. de kamer waarin ooit de Dalai Lama, tijdens zijn bezoeken in een ver verleden, overnacht heeft. Na een eenvoudige lunch varen we terug naar de opstapplaats waar onze bus wacht. In 2 uur rijden we over een goede weg met een splinternieuwe tunnel dwars door de bergen richting Lhasa. Vol trots wijst Migmar ons op de trein die hier nog maar sinds een paar dagen kan komen vanuit het Chinese laagland. Hij ziet hem zelf ook voor het eerst. Het is nog maar een werktrein want er wordt nog volop gewerkt aan het traject. In 2006 moet de lijn officieel geopend worden.
In het op 3600 meter hoogte gelegen Lhasa nemen we onze intrek in het sfeervolle Yakhotel dat ligt in de oude stad. Onze kamers zijn echt plaatjes met hun beschilderde plafonds en sfeervolle Tibetaanse aankleding. Vanaf het dakterras kun je de Potala in de verte zien liggen. Over twee dagen hebben we de toegangskaarten en kunnen we het paleis gaan bezoeken. 

Tot zover uw corresspondent vanuit Lhasa, Tibet.

Tashi delek, ofwel hallo, goeiedag, veel geluk enz. in het Tibetaans.

Donderdag 22 september 2005. Het verblijf in Lhasa bevalt de hele groep qua bezienswaardigheden goed, maar twee mensen kunnen toch niet goed wennen aan de hoogte van 3600 meter. De een heeft migraine aanvallen en de ander is regelmatig misselijk en voelt zich erg snel moe. Beide drinken naar ze zeggen voldoende dus moeten hun klachten een andere oorzaak hebben. Bij de een duurt het acclimatiseren blijkbaar langer als bij de ander. De meeste groepsleden worden de eerste twee nachten af en toe wakker met een lichte hoofdpijn en dorst, maar de derde en vierde nacht kan iedereen zonder problemen doorslapen. Dit geld gelukkig ook voor mijzelf. We hebben allemaal een doosje speciale thee tegen hoogteziekte gekocht en dat schijnt te helpen.

Qua temperatuur hebben we trouwens ook niets te klagen. Overdag is het een comfortabele 26 °C en ’s nachts is het aangenaam fris.

Lhasa is eerlijk gezegd een lelijke Chinese stad geworden, maar het oude Tibetaanse centrum, waar ook ons Yakhotel staat, is nog zeer authentiek. Het meest imponerende bouwwerk is de 1300 jaar oude Jokhang tempel die het de belangrijkste Boeddhistische tempel van Tibet is. Pelgrims vanuit heel Tibet hebben er een weken-, en soms maandenlange indien ze te voet komen, tocht voor over om hier te komen. Eenmaal hier aangekomen lopen ze het Barkhor Circuit om de tempel heen en dat de hele dag lang en altijd linksom zoals iedereen dat doet. Velen lopen met een gebedsmolen in de hand die ze met een handige polsbeweging contstant aan het draaien houden. Uiteraard ook linksom!
Net als wij nog maar weinig Tibetanen in levende lijve hebben ontmoet, hebben de meeste van deze plattelands pelgrims nog nooit een blanke gezien, laat staan van die lange uit Nederland. In de groep hebben we drie mannen die meer dan 1meter 92 lang zijn en die baren daarmee heel wat opzien. 

Uiteraard wil de hele groep de imposante Potala zien. Dit is het winterpaleis van de Dalai Lama dat boven op een heuvel gebouwd is. Om het te kunnen bezoeken moeten we echter nog even geduld hebben omdat de toegangstickets 1 of 2 dagen van tevoren aangevraagd moeten worden, maar er zijn nog genoeg andere dingen te bezoeken voor het zover is. 

De hele groep voorzie ik van kopieën met daarop in het Tibetaans en het Chinees de belangrijkste bezienswaardigheden. Dit heb je echt nodig daar de fietsriksjarijders en de taxichauffeur geen woord Engels spreken en zo kan iedereen toch zelfstandig op stap. Dit is bijna noodzakelijk daar we in de periode na Lhasa al genoeg op elkaars lip zullen zitten in de jeeps. Hier dus nog enkele dagen alle vrijheid voor iedereen.
Ikzelf bezoek tussen de bedrijven door uiteraard de Jokhang tempel waar het binnen, met name ’s ochtends honderden pelgrims samen drommen. Je kunt bijna over hun hoofden lopen. Wat je in ieder klooster terugziet zijn de honderden yakboterlampjes die op offeraltaren zijn opgesteld. Het zijn kleine metalen schaaltjes gevuld met yakboter en een dikke lont in het midden. Grotere schalen hebben soms zo’n 10 tot 20 lonten. Veel pelgrims dragen een fles yakboter met zich mee waaruit ze in iedere grote schaal wat yakboter gieten. Dit ritueel is onderdeel van een bezoek aan een klooster. Ook vind je in de vele vertrekken kostbare gebedsrollen, enorme bronzen gebedsmolens en biddende monniken. 

Iets buiten Lhasa liggen het Sera- en het Drepungklooster. In de eerste hebben de monniken iedere middags een debateersessie. Hierbij gaat het fanatiek toe. Met veel lichaamstaal en heftige handgebaren proberen de monniken hun argumenten kracht bij te zetten. Het is een ontzettend komisch gezicht om ze zo bezig te zien.
In het tweede klooster is onder andere de gaarkeuken een bezienswaardigheid. De monniken maken in ketels van 1,5 meter doorsnede het eten voor hun 600 kloostergenoten klaar. 

Het Zomerpaleis van de Dalai Lama dat in een park buiten de stad ligt viel iedereen een beetje tegen. Ikzelf heb ter compensatie daarna het er in de buurt staande Lhasa Hotel bezocht. Een vroegere Franse (of Zwitserse) manager van dit beroemde dure hotel heeft ooit een boek geschreven over zijn 5 jaar durende periode hier. ,Hotel op het dak van de wereld’ heet het geloof ik.
Een van de grappigste voorvallen vond ik het verhaal over de schoonmaaksters die op een gegeven moment de luxe van heuse stofzuigers tot hun beschikking kregen. Na korte tijd nam bij de een na de ander de zuigkracht af tot ze het uiteindelijk helemaal niet meer deden. Wat bleek nu; de dames dachten dat het stof via het snoer in het stopcontact zou verdwijnen. Niemand had ze verteld dat ze af en toe de stofzakken moesten legen! 

Uiteindelijk krijg ik de bezoektijd voor de Potala door. De volgende middag om 3 uur. Het bezoek is strak georganiseerd om te voorkomen dat er teveel mensen tegelijk door de smalle gangen rondlopen. Ondanks de aanwezigheid van meer dan 1000 vertrekken blijkt dit geen overbodige luxe.

De volgende middag is de hele groep ruim op tijd aanwezig bij de grote toegangspoort van het complex in afwachting van wat we binnen te zien zullen krijgen. Na een klim van zo'n 70 meter staan we eindelijk op de binnenplaats van het wereldberoemde paleis.
Uiteindelijk kunnen we maar een deel van de Potala bezoeken, maar dat is dan ook zeer de moeite waard omdat zich hier o.a de woon-, meditatie- en slaapvertrekken en de graftombes van vroegere Dalai Lama's bevinden. De tombes zijn belegd met honderden kilo's goud en edelstenen en schitteren je tegemoet. Fotograferen is helaas streng verboden. Als we na 2 uur weer buiten staan, staat iedereen onder de indruk nog een beetje na te genieten.

top

On the road!
Dan na vier nachten is het zover. Op de binnenplaats van het hotel staan de, nu nog witte, terreinwagens al klaar. Vier moderne Toyota Landcruisers en een Mitsubishi.
Tijdens het laatste 'Westerse' ontbijt zit iedereen opgewonden te grinniken want het avontuur gaat nu pas echt beginnen. Op dit deel van de reis door Tibet heeft iedereen zich het meest verheugd. Ik heb tien dozen water ingeslagen die achterin de bak worden geladen, in totaal 180 liter voor 17 mensen voor de komende twee dagen. De gids en de vijf chauffeurs zorgen voor zichzelf. Verder heb ik voor de zekerheid een zuurstoffles gekocht, voor het geval iemand op grotere hoogte ademnood krijgt. 

De bagage wordt ingeladen en dan kunnen we vertrekken. Het is zo'n 900 km over de Friendship Highway naar de grens van Nepal. Het grootste deel zal over onverharde gravelwegen en rotsachtige karresporen gaan. We zullen er vijf rijdagen voor nodig hebben. Migmar zit er in de voorste wagen bij en ikzelf in de achterste als een soort bezemwagen. Het eerste traject is tot het stadje Gyantse en is 254 km.
De eerste twee uren rijden we in zuidwestelijke richting door een brede vallei langs een grote rivier. Om het half uur wordt er een plasstop ingelast om het vele drinkwater weer te lozen. Op het moment dat we denken in een doodlopend dal vast te zitten draait de weg in naar links in zuidelijke richting en begint de lange klim naar de eerste pas van 4794 meter hoogte.

De invasie van de Chinezen in Tibet heeft iets dubbels. Aan de ene kant overvallen ze de Tibetanen met hun aanwezigheid, maar aan de andere kant worden bijvoorbeeld de slechte bergwegen sterk verbeterd. Zo ook de weg die ons over deze 4795 meter hoge pas brengt. We zoeven naar boven! Na 3 kwartier hebben we de bijna 1200 meters hoogteverschil overwonnen.
Op de Kambu La (pas) hangen de Tibetaanse gebedsvlaggen boven de weg te wapperen. Een ieder die er onderdoor rijdt of loopt zal zo een veilig vervolg van zijn reis hebben. Het uitzicht is fantastisch want aan de andere kant van de berg ligt het turkooise Yamdrok-tso (meer) in de zon te schitteren. 

Na een half uur op de top begint de lange afdaling naar het uiteinde van het meer. Daar zullen we de meegebrachte lunchpakketten opeten. De groep weet nog niet dat de lunch bestaat uit bruine sandwiches met kaas. Het is altijd leuk om hier en daar een verrassing in te bouwen. Effe punten scoren! Voor de gids Migmar en de vijf chauffeurs is er een yak-sandwich. Aan hen is een smakelijk broodje kaas niet besteed. Vanuit een naburig nomadententenkamp komen meteen wat kinderen kijken of er nog wat te halen valt. Ze worden niet teleurgesteld want niet iedereen heeft trek in een appel of een gekookt ei die in het lunchpakket zitten. 

Gyantse
Na de lunch rijden we nog heel lang over de oever van het meer om vervolgens via een rotsachtige bergweg naar de Karo-La (pas) van 5045 meter te klimmen . Opwinding alom want het is de eerste pas hoger dan 5000 meter. Sommigen uit de groep staan na een paar stappen al naar adem te happen. Er staan een paar nomadententen en ook passeren er twee reizigers op hun mountainbikes. Het is voor hen geen pretje als er auto's passeren. Ze worden dan gehuld in een allesverstikkende stofwolk.
We staan aan de voet van een enorme gletsjer die schittert in de zon. Na de nodige foto's geschoten te hebben beginnen we de afdaling naar het stadje Gyantse dat 'maar' op 4050 meter gelegen is. Na deze hoogtestage mag het slapen in Gyantse geen probleem zijn.
Het hotel doet alle verwachtingen overtreffen. In plaats van een minder luxe hotel is het nog luxer dan in China. We verblijven in de zogenaamde Tibetaanse stijl kamers. Na het inchecken komen al gauw de kamermeisjes om een grote thermoskan met kokend water voor de thee te brengen en om je bed open te slaan? En nee...., verder gaat de service niet!

We gaan voor de afwisseling weer eens met zijn allen uit eten. Geduld is daarbij een schone zaak want vaak kan het restaurant zo'n groep maar net aan en regelmatig wordt de bestelling van één persoon gewoon helemaal vergeten. 

Na een goede nachtrust ben ik er al vroeg uit om snel te ontbijten en het fort op een heuvel te gaan bekijken. Dit is alleen weggelegd voor de liefhebbers want de meeste bezoekers komen voor de belangrijkste bezienswaardig, namelijk het Gyangtseklooster.

Na de vele kloosters die we al gezien hebben zijn we het erover eens dat dit het mooiste is tot nu toe vanwege het authentieke karakter. De meeste decoratie blijkt nog in de originele staat te verkeren en in tegenstelling tot bij de Potala zijn wij hier als toeristen veruit in de minderheid. Er lopen veel pelgrims rond. Letterlijk het hoogtepunt is de stupa die je tot bijna aan de top kunt beklimmen vanwaar je een mooi uitzicht hebt over de Tibetaanse wijk die tegen het kloostercomplex aanligt. Via een sfeervol wat naar achterliggend straatje lopen we terug naar het hotel. Niet als groep, maar individueel om de sfeer niet te bederven. In het straatje komen de boeren hun oogst verhandelen. Ze vinden het een hele eer als je een foto van ze wilt maken. Gyantse is het stadje waar de Chinezen de minste invloed op hebben uitgeoefend. 

Shigatse
's Middags na de lunch vertrekken we weer voor het korte traject naar Shigatse. Zo'n 90 km dwars door landbouwgebieden. De oogst van het graan is in volle gang. Waar je ook kijkt, overal zie de boerenfamilies druk in de weer met afsnijden en het dorsen.
Shigatse is een stad waar de Chinzen duidelijk veel invloed uitoefenen. In het centrum staan de modern aandoende gebouwen zij aan zij. maar gelukkig is er ook nog een sfeervolle oude Tibetaanse wijk.

Het hotel is, alweer tot ieders verbazing, nog luxer dan het vorige. De mensen voor wie ik een kamer met een tweepersoonsbed heb kunnen regelen krijgen een suite met twee badkamers, twee tv's en een audioset. Ikzelf heb ook niets te klagen want boven mijn wirlpool-ligbad hangt een hoogtezon! Alle verlichting in de kamer is naast het bed via een ultramodern bedieningspaneel te bedienen. Voor wat betreft het slapen valt het met het afzien in Tibet tot nu toe nogal mee. 

De volgende ochtend is het wederom prachtig weer en gaat iedereen zijn eigen gang om zich later om 3 uur bij de poort van het Tashilunpo klooster te melden voor een rondleiding. Ikzelf ga vooraf de enorme markt bekijken waar o.a. houten meubels en zware stalen houtgestookte fornuizen annex kachels worden gemaakt.
De Chinezen vonden het nodig om dwars door de oude Tibetaanse wijk een nieuwe straat aan te leggen. Sommige huizen die in de weg stonden zijn rigoureus aangepakt met als resultaat dat je nu bijv. een slaapkamer ziet waarvan de buitenmuur weg is. Met behulp van een zeil is het gat enigszins afgesloten zodat er weer geslapen kan worden. 

Als ik wat verder doorloop kom ik langs de zijkant van een klooster en hoor muziek. Een Tibetaan gebaart me bij hem op een zandberg te komen staan zodat we beiden over de muur kunnen kijken. Erachter is een ceremonie aan de gang waarbij acht monniken op het geluid van een stel enorme hoorns een dans uitvoeren. De Tibetaan gebaart waar ik de toegangspoort van het complex kan vinden. Al gauw sta ik tussen de Tibetanen naar de voorstelling te kijken. Duidelijk weer een typisch geval van geluk hebben. Een half uur later zie ik ook twee mensen uit de groep binnen komen lopen. Voor 10 yuan kunnen we op de tribune zitten waar je onbeperkt een soort snack kunt eten.
Onze gids geeft om 3 uur een rondleiding door het Tashilunpo klooster dat toch weer anders is dan alle voorgaande kloosters. Het is de zetel van de Panchen Lama die beschouwd wordt als de 2e hoogste na de Dalai Lama. 's Avonds eten we met bijna de hele groep van een heerlijk buffet.

top

Tashi Dzom
De volgende ochtend zitten we om 6 uur aan het ontbijt omdat we vroeg willen vertrekken. Er is een nieuwe voorraad water ingeslagen om de hoogteziekte onder controle te kunnen houden. Op deze hoogte moet je ongeveer 5 liter vocht per dag naar binnen werken. Gevolg hiervan is dat we zeer regelmatig een plasstop in moeten lassen. Dit proberen we als het even kan op een mooie plek te doen zodat we meteen wat foto's kunnen schieten. De vrouwen als het kan achter een heuveltje of achter een struik en de mannen dan aan de andere kant.

De 260 km lange weg naar Tashi Dzom is 'under construction' zodat we een noordelijk gelegen alternatieve route moeten nemen. Voordeel is wel dat deze weg door een breed dal langs een grote rivier loopt wat een weids uitzicht oplevert. We komen steeds dichter bij het Mount Everest Basiskamp. Toch wel letterlijk een hoogtepunt waar iedereen (inclusief uw correspondent) naar uitkijkt.

Nog steeds wordt op deze hoogte landbouw bedreven en zien we bomen staan. Na vier uur de rivier gevolgd te hebben komen we bij het plaatsje Lhatse weer terug op de oorspronkelijke route. Er wordt inderdaad hard aan gewerkt. In Lhatse lunchen we in een locaal restaurantje. Om het niet te lang te laten duren laat ik iedereen uit maar twee gerechten kiezen. Noedelsoep met groente en vlees en gebakken rijst met groenten. Als iedereen iets anders zou bestellen moet je al gauw rekenen op twee, soms drie uur wachttijd. Als één van de vrouwen wil gaan zitten voelt ze iets onder het stoelkussen. Als ze weer omhoog komt schiet er een vette rat vanonder het kussen op de grond. Dit ontaardt natuurlijk meteen in een hysterisch gegil onder enkele vrouwen. De serveerters (en sommigen uit de groep) staan de paniek lachend gade te slaan. Tussen twee haakjes: het eten smaakte prima! 

Na de lunch wordt de 'hoofdweg' pas echt slecht. De hele route ligt open want overal moeten waterdoorlaten onder de nieuwe weg komen. Van een pad is nu echt geen sprake meer en de fourwheeldrives moeten nu tonen wat ze waard zijn. De wegenbouwers houden absoluut geen rekening met het verkeer dat toch door moet kunnen gaan. De chauffeurs zijn echt fantastisch. Zeer beheerst weten ze de wagens over enorme keien en door kniediepe riviertjes te sturen. Pech hebben we eigenlijk nog niet gehad en dat willen ze uiteraard zo houden.
Na twee uur klimmen komen we aan op de hoogste pas en tevens hoogste punt van deze reis. De Gyatso-La van 5225 meter! Ook hier staat weer een grote boog over de weg waaraan honderden gebedsvlaggen wapperen. Wij houden op dit memorabele punt natuurlijk een lange stop. Een stel vrachtwagenchauffeurs hangen voor een veilige rit een nieuwe gebedsvlaggenslinger aan de boog.

We dalen weer wat af en verlaten de 'hoofdweg' en gaan in zuidelijke richting. In het eerste dorpje is het checkpoint voor het Everestgebied. Onze gids Migmar regelt de benodigde stempels zodat we al na 15 minuten door kunnen rijden. Er staat onze weer een nieuwe pas te wachten, deze keer de Geu-La van 5190 meter. Deze keer heeft onze chauffeur zin om een beetje door te rijden en vraagt of hij kan vertrekken. Ik vind het prima omdat we dan tijdens de klim een keer kunnen stoppen om de andere vier wagens achter ons omhoog te zien klimmen. Het is bijna onwerkelijk om onze achtervolgers als vier kleine Dingy Toys omhoog te zien klimmen. Achter iedere wagen hangt een grote stofwolk.

Tot zover. Volgende keer gaan we op weg naar het Mount Everest Basecamp!


Nogmaals Tashi delek,
het is woensdag 5 oktober, de namiddag dat we op weg zijn naar Tashi Dzom, een gehucht van hooguit tweehonderd bewoners op 4100 meter hoogte.

Als we bijna het hoogste punt van de gravelweg naar de Geu-La van 5190 meter bereikt hebben vraag ik om een fotostop. Zoals altijd stopt de chauffeur meteen. Hij spreekt maar anderhalf woord Engels, maar de term ‘fotostop’ kent hij waarschijnlijk al van eerdere reizen. Zonder gehinderd te worden door de raamstijlen van de auto is het weidse uitzicht over de brede vallei overweldigend. Soms moet je gewoon even uitstappen om het landschap op je in te laten werken. Voor de zoveelste keer hebben we het gevoel dat we bij toeval in een documentaire van de National Geographic beland zijn. Omdat we zo hoog staan, kunnen we oneindig ver over de meeste bergentoppen heen kijken. In de diepte zien we het dorpje met de controlepost liggen en als we heel goed kijken zien we één…., nee twee witte stipjes langzaam bewegen. Het zijn twee wagens uit ons konvooi. De andere twee gaan waarschijnlijk schuil in een haarspeldbocht die door de berghelling aan het zicht onttrokken is. Een nog kleiner dubbel stipje blijkt door de verrekijker twee fietsers met bepakking te zijn die we waarschijnlijk gepasseerd zijn toen ze achter een rotsblok een sanitaire stop maakten. Dat reizen per fiets lijkt me een mooie, maar loodzware baan. Bijna voortdurend rijd je in het stof en de bergwegen die momenteel gereconstrueerd worden, maken het bijna onmogelijk om te fietsen. Lopen en duwen is dan de enige optie.

We stappen weer in voor de laatste honderden meters naar de pas. Ook hier hangen de kleurige gebedsvlaggen te wapperen in de wind én….. van hieruit hebben we voor het eerst zicht op de 8850 meter hoge ‘Chomolunga’. Dit is de Tibetaanse naam van de Mount Everest en betekent ‘Derde Godheid’.

Er heerst duidelijk een opgewonden stemming die enigszins omslaat in lichte teleurstelling als er een wolk voor de bergtop schuift. ‘Niet zeuren!’ denk ik want tot nu toe hebben we enorm veel geluk gehad met het weer. In de meeste plaatsen en ook op sommige hoge passen waar we geweest zijn was het zo warm dat je niet meer dan een T-shirt en een korte broek nodig had. Bijna iedere ochtend moet ik aanhoren dat Summum en ik dat mooie weer toch wel goed geregeld hebben. Nu maar duimen dat de weergoden ons morgen, als we het basiskamp gaan bezoeken, gunstig gezind zijn. Ook de fietsers komen hijgend op de top aan. Een kort applaus van ons en het prachtige uitzicht is hun beloning. Ik knoop een praatje met ze aan en wat blijkt; het zijn Nederlanders die samen met twee Duitsers de tocht van Lhasa naar Kathmandu maken. Een afstand van niet minder dan 1060 kilometer. 

Het wordt tijd om met de afdaling van de 1090 meter naar Tashi Dzom te beginnen want het is al 18.30 uur en we willen voor het donker binnen zijn. Na de eerste driehonderd hoogtemeters braaf via de vele haarspeldbochten afgelegd te hebben, duiken we ineens naar links van de gravelweg af.
‘Aha!’ denk ik; ‘Dit moet de shortcut zijn die in mijn draaiboek beschreven staat! Nu wordt het tijd voor het echte werk’. Behendig en beheerst sturen de chauffeurs de 4WD’s over de steile hobbelige hellingen naar beneden. Onze chauffeur heeft een grijns van oor tot oor nu hij zijn rijkunsten weer eens kan vertonen. Iedere grote steen weet hij rakelings te ontwijken en als we door een diep gat heen moeten doet hij dat met precies zo’n snelheid dat we net niet vast komen te zitten. Op het moment dat we de gravelweg weer opdraaien wijst hij lachend nog even op een wagen die veel eerder vanaf de pas vertrokken was en nu ergens ver boven ons nog bezig is de tientallen haarspeldbochten te draaien. 

Om 19.30 uur, als het begint te schemeren, parkeren we voor het eenvoudige Cho Mo Lang Ma Ben Ba-guesthouse waar we zullen overnachten. We zijn de gasten van een boerenfamilie die op de begane grond een knusse eetkamer heeft ingericht. Op het overmaatse fornuis in het midden van de ruimte staan grote pannen te dampen. Dit familiehotelletje is een enorm contrast met de hotels die we de afgelopen nachten hadden, maar we wisten vooraf dat het zo zou zijn. Desondanks moet een enkeling toch even wennen aan het idee om met zijn allen in één grote slaapkamer te moeten slapen, het ontbreken van elke vorm van stromend water en de toiletten die uit niet meer dan drie gaten in de vloer bestaan. Er ligt een hoop zand naast om je ‘boodschap’ af te dekken. Tja, er is weinig keus want iets luxers is er niet in dit gehucht. Ik vind het stiekem wel amusant om een paar mensen ietwat ontredderd om zich heen te zien kijken. Anderen doet het slapen samen op één kamer juist weer denken aan de vakantiekampen tijdens hun lagere schooltijd. Heerlijk, dat gerommel met zaklampen en lakenzakken!

Na het eten rondom het grote fornuis gaat iedereen vroeg naar bed want morgen willen we vroeg op pad richting het Basecamp en bovendien, wat moet je hier ’s avonds anders doen. Het enige obstakel dat ons nog af kan houden van een welverdiende nachtrust zijn de vele blaffende honden in het dorp. Op het moment dat ze eindelijk allemaal hun bek houden en de rust weerkeert slaat er ergens wel weer eentje aan. De rest volgt dan vanzelf. Ikzelf val toch vrij snel in slaap, maar een enkeling wordt tot diep in de nacht wakker gehouden.

top

Mount Everest Basecamp
Op deze hoogte verwachtte iedereen een koude nacht, maar dankzij de dikke dekbedden was daar niets van te merken. Wel zorgde de onbewolkte hemel ’s nachts voor een spectaculair schouwspel. De vroege vogels konden genieten van een miljoenen tellende sterrenhemel. Hopelijk blijft de hemel vandaag vrij van wolken zodat we van een onbelemmerd uitzicht op de Everest kunnen genieten. De drie voorgaande dagen zijn volgens onze gastvrouw bewolkt geweest.

Hoewel we met de eigenaren hebben afgesproken dat we vroeg willen ontbijten is er op de begane grond nog geen teken van leven te bekennen. Ook onze gids is nog nergens te vinden en de elektriciteit doet het nog niet. ‘Mmm, dat schiet niet op.’ Tijd voor rigoureuze maatregelen! Voor de voordeur liggen twee honden en die lijken me uitermate geschikt voor een ‘morning call’. De opzet slaagt. Zodra ze binnen zijn, beginnen ze te blaffen. Als enkele seconden later de eigenaresse haar slaapkamerdeur opent begroet ik haar met een brede grijns, een ‘Tashi delek’ en een ‘I’m sorry’. Ondertussen veins ik dat het allemaal per ongeluk gebeurde en laat snel de honden, die als de dood voor haar zijn, weer naar buiten. Omdat het nog steeds donker is pakt de waardin een handvol kaarsen die we op strategische punten neerzetten. De dochter van het gezin is inmiddels druk in de weer om het fornuis met gedroogde yakpoep op te stoken. Dit is een beproefd middel. De verse yakvlaaien worden overdag tegen huizen en muurtjes geplakt om in de zon te drogen. Door dit droogproces lijkt de poep de ergste stank kwijt te raken want binnen in de eetruimte is er niets meer dat je herinnert aan de poeplucht. 

Na een ontbijt van Tibetaans brood met een omelet en groene thee kunnen we vertrekken. Iedereen is toch een beetje opgewonden vanwege de bijzondere bestemming van vandaag. Het begint net licht te worden als we in een half uur naar de toegang van de weg naar het Basecamp rijden. Hier aangekomen moeten we overstappen in twee aftandse Amerikaanse Dodge busjes. In 2004 is deze regeling door de Chinezen in het leven geroepen om nog meer geld aan de toeristen te kunnen verdienen. Over een 24 kilometer lange eenbaans-gravelweg begint de klim naar het Rongbokklooster, dat op ruim 5000 meter het hoogst gelegen klooster van Tibet is. De weg gaat door een smal dal tussen de hoge bergen door. Na een plas/fotostop halverwege staan we na een uur bij het klooster. Er heerst zo’n gezellige opgewonden stemming binnen de groep want van hieraf hebben we al een perfect zicht op de Everest en het basiskamp komt nu binnen bereik. 

Wat je in ieder klooster terugziet zijn de honderden yakboterlampjes die op offeraltaren zijn opgesteld. Het zijn kleine metalen schaaltjes gevuld met yakboter en een dikke lont in het midden. Grotere schalen hebben soms zo’n tien tot twintig lonten. Veel pelgrims dragen een thermosfles gesmolten yakboter met zich mee waaruit ze in iedere grote schaal wat yakboter gieten. Dit ritueel is onderdeel van een bezoek aan een klooster. Om de grotere schalen brandend te houden is een monnik druk in de weer met een spatel om de gestolde yakboter glad te strijken. Ook vind je in de vele vertrekken kostbare gebedsrollen, enorme bronzen gebedsmolens en biddende monniken. Tegenover het klooster staan wat bijgebouwen waarvan je in één een restaurantje vindt en niet helemaal tot mijn verbazing staat hier ook een zendmast van China Telecom. ‘Mmm, zou het misschien mogelijk zijn om vanuit het basiskamp naar Nederland te bellen….?’. Die gekke Chinezen zijn werkelijk tot alles in staat. 

Vanaf hier kunnen we met paardenkarren de laatste acht kilometer tot het basiskamp af leggen, maar waar we ook kijken, er is geen paardenkar te bekennen! Dat is een probleem want we hebben niet de hele dag om op en neer naar het basiskamp te lopen. We besluiten heen te gaan lopen en hopen dat de paardenkarren ons terug kunnen brengen. Twee oudere mensen uit de groep besluiten al meteen dat lopen voor hen geen optie is omdat ze na drie stappen al buiten adem zijn. Zij zullen in het restaurantje op ons wachten. Met onze gids Migmar spreek ik af dat we hier om 14.00 uur terug zijn omdat we nog een lange weg naar Tingri, onze volgende overnachtingsplaats, te gaan hebben. 

Met de groep samen lopen heeft geen zin omdat de route naar het basiskamp overduidelijk is en ieder zijn eigen ritme wil lopen. In de ijle lucht op deze hoogte moet je vooral niets forceren. Eerlijk gezegd geloof ik niet dat iedereen het binnen de gestelde tijd kan halen en dat allemaal omdat de beloofde paardenkarren er niet zijn. Pas na een uur over een vals plat gelopen te hebben wordt het pad steiler. Maar ook de laatste tweehonderd meters klimmen vallen uiteindelijk best mee. Als je je tempo maar aanpast. Onderweg passeren er toch nog enkele paardenkarren met Japanse toeristen die alweer naar beneden komen. Met een beetje geluk kan een aantal mensen uit onze groep die alsnog inhuren. 

Als de koplopers de laatste hoogtemeters geslecht hebben verschijnt daar in de verte ineens een tentenkamp. Nog maar een paar honderd vlakke meters en dan staan we na 1½ uur lopen tussen de grote witte tenten in. Het lijkt wel zo’n tentenkamp uit de serie MASH. In enkele kun je wat eten en in één is zelfs een ‘postkantoortje’ ingericht vanwaar je voor 30 yuan (€3,-) een kaart naar Nederland kunt sturen. Ook kun je hier een stempel met de tekst ‘This human reached the Mount Everest’ in je paspoort laten zetten. Ons oog valt echter op een 15 meter hoge heuvel aan het einde van het tentenkamp. Op de top wapperen de gebedsvlaggen en er staan wat mensen. Op de een of andere manier hebben toppen altijd al een sterke aantrekkingskracht op de mens gehad, zo ook deze die we beschouwen als het kleine zusje van Mount Everest.

Na deze laatste inspannende hoogtemeters staan we op de heuvel. Mijn hoogtemeter geeft 5215 meter aan. Het uitzicht vanaf het topje is fantastisch. Achter ons ligt het tentenkamp en voor ons strekt zich een breed dal uit met links een tentenkamp van het Amerikaanse ‘North Face’ expeditieteam en aan het einde een bergketen met duidelijk één prominente top. Met een verrekijker kun je zien dat het om de top flink waait. De lucht is strak blauw met hier en daar een kleine wolk die het altijd leuk doen op de foto.
Tien minuten na ons arriveren de volgende twee en nog wat later weer drie waaronder Bert die met zijn 62 jaar de oudste van de groep is. Zijn ijzeren conditie heeft hij te danken aan zijn werk als docent lichamelijke opvoeding. 

Na de nodige foto’s gemaakt te hebben wordt het tijd om de mobiele telefoonverbinding uit te proberen. Je kunt met de verrekijker van hieraf de China Telecommast bij het klooster zien staan dus dan zou de verbinding geen probleem kunnen zijn. Het is hier nu 11.30 uur wat betekent dat het in Nederland 5.30 uur is. Een beetje vroeg misschien maar Ingrid heeft altijd gezegd: ‘Je kunt me altijd bellen, ook al is het midden in de nacht.’ en zo sta ik dus op donderdag 6 oktober vanuit het Tibetaanse Mt. Everest Basecamp met Nederland te bellen. Ingrid kan het ook maar moeilijk bevatten. Het is bijna niet te geloven! De wereld wordt door alle communicatiemogelijkheden steeds kleiner.
Voor mijzelf voelt het alsof ik op herhaling ben omdat ik in ’99 al bij het basiskamp aan de Nepalese zijde van Mount Everest ben geweest. Het kostte toen heel wat meer fysieke inspanning om daar te komen. Over smalle bergpaden en gletsjers en met een rugzak van 18 kilo om, was het van hut naar hut zo’n veertien dagen lopen. Terug kon het in tien dagen omdat dat voornamelijk dalen was. 

Marjolein, die huisarts is, heeft met haar KPN-abonnement inmiddels ook verbinding met het thuisfront en laat ook Bert en zijn vrouw Nelly naar hun dochter bellen. Ikzelf laat ook wat mensen even kort naar huis bellen. Dat dat een emotioneel moment is, blijkt wel als na enkele seconden al de tranen vloeien.
Uiteindelijk bereikt ook de rest van de groep het basiskamp op de paardenkarren die vrij snel waren gekomen. In één van de tenten eet ieder een grote kom noedelsoep. Als het half twee is (in Ned. half acht) durf ik het aan om m’n ouders te bellen om m’n moeder nog even te feliciteren met haar 76e verjaardag. Door de tijdelijk wat gebrekkige verbinding kan ik uiteindelijk alleen maar vertellen waar ik me bevind, maar dat feit alleen is al bijzonder genoeg. 

Voor de mensen die zijn komen lopen kost het nog heel wat moeite om een kar terug te regelen omdat er eenvoudigweg maar een paar zijn. De paardenmenners vragen ineens absurde prijzen omdat ze weten dat je niet terug wilt lopen. Enfin, na veel gediscussieer en gewacht vindt iedereen een zit/ligplaats en rijden we in een uur terug naar het Rongbokklooster. Nu is het nog even wachten op een Dodge busje. Omdat het al 3 uur is, een uur te laat, wachten we niet op een tweede bus maar proppen we de hele groep in de eerste bus. Met deze groep die me het de hele reis al niet moeilijk maakt kan dat. Half bij elkaar op schoot zittend bereiken we na 50 minuten de entree (4390 meter) waar we onze wagens achterlieten. De chauffeurs, die na zoveel uur wachten volledig uitgerust zijn, vragen enthousiast hoe we het gehad hebben en delen ondertussen flessen water uit. Wat een service van die mannen! 

Tingri
De tijd begint te dringen want het is nog zeker vier uur rijden naar het dorp Tingri en ook nu willen we voor het donker is binnen zijn. We vertrekken dus meteen. Echter zo snel dat we bijna één van de vrouwen vergeten die achter een rotsblok haar overtollige vocht zit te lozen. Voor de verandering nemen we weer eens een ‘shortcut’. Dit onverharde pad slingert zich dwars door een brede vallei met alleen aan het begin een kleine nederzetting. Tijdens de urenlange klim naar een pas van 5000 meter zien we alleen twee eenzaam staande nomadententen en wat geiten- en schapenhoeders met hun kuddes. Wederom een typische National Geographic-route! Wat een bofkonten zijn we toch dat we dit mee kunnen maken vindt iedereen als we boven op de pas een korte pauze hebben. In de verre diepte kun je op een grote vlakte het dorp Tingri al zien liggen, maar het duurt echter nog een uur voor we, vlak voor zonsondergang,  bij ons ‘motel’ aankomen. Hier hebben we weer eigen kamers, alhoewel ze nog steeds erg eenvoudig zijn zonder stromend water, maar wél met een gloeilamp aan een draadje boven het bed. 

’s Ochtends is iedereen verrast door het lekkere ontbijt. Dat bestaat namelijk uit dunne ‘Hollandse’ pannenkoekjes met ei of jam. Om 8 uur, als het juist licht begint te worden, vertrekken we voor wat de laatste jeepdag moet worden. Het doel is vandaag in Nepal aan te komen. De eerste 150 kilometer gaan over een goede vlakke gravelweg. Tegen de tijd dat we bij de Lalung-la van 5124 meter hoogte aankomen begint de lucht te betrekken.  Als we een half uur later bovenop de Tong-La van 5140 meter staan is het weer volledig omgeslagen. We staan in feite midden in de wolken, er staat een gure wind en het miezert. Het uitzicht vanaf deze pas zou één van de mooiste moeten zijn. Hebben we gisteren misschien toch heel veel geluk gehad?

De pauze is één van de kortste die we hebben gehad. Zodra we beginnen af te dalen wordt het zicht snel beter. In de volgende 35 kilometer dalen we via ‘shortcuts’ af richting het grensplaatsje Zhangmu dat op ‘maar’ 2300 meter ligt. De berghellingen worden naarmate we lager komen steeds groener en dichter. Het regent nog steeds. Vanaf een steile  overhangende rotswand links van de weg klettert een kleine waterval rechtstreeks op de weg. Eén voor één rijden de chauffeurs hun sterk vervuilde wagens eronder om zo het ergste stof eraf te spoelen. Handig zo’n natuurlijke autowasstraat en… hij is nog gratis ook. (noot: typisch een Nederlandse opmerking!) De twee mensen die wat last van de ijle lucht hadden, kunnen nu weer die heerlijk dikke lucht inademen. Ze voelen zich op deze hoogte vele malen beter dan daarboven. 

Het wordt steeds drukker op de bergweg naarmate we dichter bij het grensplaatsje komen. Zhangmu is dan ook een echt handels- en overslagpunt. Er staan tientallen zwaarbeladen vrachtwagens langs de kant geparkeerd en die willen allemaal hun lading kwijt. Gelukkig kunnen wij ze zonder problemen passeren. In het dorp zien we overal Chinese en Nepalese vrachtwagens met de konten tegen elkaar aanstaan om snel over te kunnen laden. Vlak voor de Chinese grens stoppen we voor een snelle lunch in het kleine ‘Dolma’ restaurant. Zodra we uitstappen, verdringen de geldwisselaars zich om ons heen. Vooraf had ik de groep al gewaarschuwd dat we het geld wisselen beter niet op straat kunnen doen, maar dat we één wisselaar in het restaurantje uitnodigen. Zo houden we het overzichtelijk en kunnen we de Nepalese biljetten beter op echtheid controleren. Eenmaal binnen zal de geldwisselaar het wel uit zijn hoofd laten om iemand te flessen…. hoop ik!
Zo gezegd zo gedaan. Tijdens het wachten op het eten wisselt iedereen zonder problemen zijn restant Yuan’s voor Nepalese rupees. Met dit voorbeeld wil ik niet de indruk wekken dat geen enkele Nepalees te vertrouwen is want het tegendeel is waar; Nepalezen zijn eerlijke mensen, maar met geldwisselaars op straat moet je in het algemeen erg oppassen. 

Het wordt tijd voor de volgende hindernis, namelijk de Chinese grens die op twee minuten lopen van het restaurantje gelegen is. Na de lunchpauze gaat deze om half drie weer open. Wij staan tien minuten eerder in een keurige rij, zoals de Chinezen dat doen, geduldig voor het loket te wachten tot de douanebeambte uit zijn middagdutje ontwaakt. Blijkbaar heeft hij goed gegeten en geslapen want de controle en het afstempelen van de 17 paspoorten verloopt tegen alle verwachtingen in uiterst soepel en efficiënt. Zelfs onze handbagage wordt niet gecontroleerd, maar dat heeft meer te maken met het feit dat ze het te druk hebben met de bagage van enkele Nepali. We stappen weer in onze wagens om de acht kilometer door het corridor tussen de beide landen af te leggen. Als ik nog een keer omkijk, zie ik dat Zhangmu als een mug tegen de bergwand aangeplakt lijkt te zijn. Ik moet er niet aan denken wat er kan gebeuren als hier ooit een aardbeving plaatsvindt. Waarschijnlijk zal het gehele dorp in één klap van de bergwand af glijden het diepe dal in.

Vlak voor de laatste Chinese grenscontrole worden we afgezet. We bedanken de chauffeurs en de gids die ieder een envelop krijgen en nemen afscheid. De Nepalese gids Dawa die ons hier volgens afspraak op zou wachten is nog niet te bekennen. Enkele jongens bieden, tegen een hoge betaling, aan de bagage te dragen maar niemand gaat erop in want tegenwoordig beschikken de meeste tassen over van die handige wieltjes. Bij de brug over de Bhote Kosi-rivier is de laatste paspoortcontrole en daarmee verlaten we na elf dagen Tibet.

top

Nepal
Aan de andere kant van de rivier stappen we in een totaal andere wereld en dat is niet alleen omdat we onze horloges 2 uur en 15 minuten terug moeten zetten. De weg bestaat uit ongelijk liggende keien en diepe gaten, schots en scheef ‘geparkeerde’ vrachtwagens die een doolhof vormen waarin we met moeite de weg kunnen vinden en overal ligt afval waar hier en daar wat varkens en kippen doorheen lopen te struinen. Ook nu nog geen gids te bekennen dus we gaan zelf naar de Nepalese douane waar iedereen zijn visum af laat stempelen. Ikzelf moet hier nog een visum aanvragen. Al na vijf minuten en dertig dollar en een pasfoto lichter staat ook in mijn paspoort het noodzakelijke document.

Het miezert nog steeds als we op zoek gaan naar de bus die ons hier op zou komen halen. We worden benaderd door een jongen die op zoek is naar klanten voor zijn bus naar Kathmandu. Wij willen nog helemaal niet naar Kathmandu, maar naar het ‘Last Resort’ dat op anderhalf uur rijden hiervandaan ligt. Ik vraag hem of hij Dawa kent. ‘Yes, but Dawa not here!’ Dan komt er nog een jongen die de naam ‘Summum’ noemt maar verder geen woord Engels spreekt. Hij wijst op een lege bus. Omdat het nog steeds regent, besluit ik dat iedereen met de bagage voorlopig maar in die bus moet gaan zitten totdat ik bij het ‘Last Resort’ uitgezocht heb of het echt de goede is.

Omdat m’n China Mobile mobieltje hier niet meer werkt, ga ik op zoek naar een telefoon. Na vijftien minuten heb ik een telefoonwinkeltje gevonden maar hier blijkt dat de ‘The connection is broken.´ Weer vijf minuten later vind ik er nog een en die doet het gelukkig wel, maar nu is ‘The line very busy’. Na enkele keren proberen geprobeerd te hebben is er verbinding. De man van het Last Resort-kantoor in Kathmandu kan me vertellen dat Dawa met een groep in de bergen een trekking maakt, maar dat er wel een jongen op weg was gestuurd om ons op te halen. Verder krijg ik het nummer en de kleur van onze bus door. Terug bij de bus blijkt het de goede te zijn en heeft de jongen onze groep eindelijk gevonden. Hij zat in een café op ons te wachten!? Alsof we daar spontaan naar binnen zouden lopen? 

We kunnen vertrekken en het regent gelukkig ook niet meer. Nu maar hopen dat er geen aardverschuivingen zijn die voor nog meer oponthoud kunnen zorgen. Bij zo’n avontuurlijke reis als deze hoort dat er natuurlijk een beetje bij, maar.…. liever niet vandaag. De jongen die de naam ‘Summum’ noemde blijkt te chauffeur te zijn. We moeten even wennen aan de Nepalese rijstijl waarbij het gebruik van een enorme luchthoorn favoriet is en vooral het recht van de grootste geldt. Dat onze bus niet de allerkleinste is, is een geruststellende gedachte. In de dorpen daarentegen rijdt men weer heel voorzichtig en zijn de chauffeurs als de dood dat ze een overstekende kip aanrijden.

Na een half uur rijden over de smalle bergweg komt er een oude aardverschuiving in zicht. Met een bulldozer zijn de grootste rotsblokken aan de kant geschoven zodat er in ieder geval éénrichtingsverkeer mogelijk is. Weer wat later stuiten we op de eerste militaire controlepost. Met dikke takken en zware olievaten is de weg gebarricadeerd. Alleen met een slakkengang kun je er tussendoor laveren. De busboy springt uit de bus en legt bij de militairen uit waar we heen willen en wie we zijn. Eén soldaat komt voor de vorm met zijn geweer in de hand een kijkje in de bus nemen. ‘Namasté’ zeggen we braaf en nadat de busboy een klein bedrag gedoneerd heeft mogen we door. ‘Namaste’ is het Nepalese ‘Goedendag, hallo, veel geluk enz.’

Het ‘Last Resort’
Een klein uur verder zien we recht voor ons een voetgangershangbrug die veel groter is dan alle andere die we tot nu toe gezien hebben. ‘Dat moet een fotostop worden en dan kunnen we meteen even de benen strekken’, is mijn idee. Maar, wat blijkt, we stoppen zo wie zo omdat we op de plaats van bestemming aangekomen zijn. De brug vormt de enige toegang tot het ‘Last Resort’ aan de andere kant van de kloof waar het onzichtbaar verscholen ligt tussen de bomen. Het is de langste en hoogste hangbrug in Nepal. Hij hangt maar liefst 160 meter boven de Bhote Kosi-rivier en is in opdracht van een Nieuw-Zeelander door Zwitserse ingenieurs in ’99 aangelegd toen het toerisme in Nepal nog hoogtijdagen vierde. Het hoofddoel van de brug is om als springplatform voor de hoogste bungy-jump van Azië te dienen. Voorlopig gebruiken wij hem alleen om in het mooie resort te komen waar we twee nachten zullen verblijven.

De bagage wordt heel decadent door dragers achter ons aan gedragen. Dan pas blijkt dat een tweetal tassen met wieltjes op de keien bij de grens behoorlijk beschadigd zijn door het gesleep. Vooraf was door Summum geadviseerd om bij voorkeur een rugzak te gebruiken. Nu blijkt duidelijk waarom. Gelukkig wordt dit kleine ongemak snel vergeten als men de bar ontdekt waar ze behalve gezonde sapjes ook ook andere ‘sapjes’ serveren. Ondertussen maak ik een verdeling van de luxe tenten die voorzien zijn van gewone bedden.

Het resort is in feite een luxe tentenkamp met mooi aangelegde terrassen, een open overdekte eetgelegenheid annex bar en warme douches in een grote tent die tegen een rotswand aangebouwd is. Ook kun je gebruik maken van een sauna en de diensten van een professionele masseur. De bedoeling van het verblijf hier is dan ook om even bij te komen van de zware tocht door Tibet. Als ik terug ben in de bar om de tenten te verdelen ziet het er naar uit dat die bedoeling al helemaal duidelijk is. Rondom een lage tafel hangt de hele groep tevreden languit in de dikke kussens die op de grond liggen. Het was en is nog steeds een hele leuke groep.

Zodra iedereen zich in zijn/haar tent geïnstalleerd heeft keren we terug naar onze zitborrelhoek om tot half acht, wanneer het buffetdiner klaar is, de tijd te doden. Het begeleiden van een reis valt soms erg mee is mijn conclusie na wat flessen lokaal bier.
’s Avonds bespreken we alvast de activiteiten die we morgen gaan ondernemen. Zes mensen hadden zich opgegeven voor een rafttocht op de Bhote Kosi-rivier, één voor een bungy-jump en vijf voor de masseur. Tegen de tijd dat we naar onze tenten gaan, zien we dat er overal langs de paden die naar de tenten leiden kaarsen staan en voor iedere tent een olielamp is neergezet. Over sfeervol gesproken! 

De volgende ochtend is bijna iedereen vroeg wakker vanwege het tijdverschil en het daarmee samenhangende feit dat het nu al om kwart voor zes licht is. Het slapen in een tent is goed bevallen. Zelfs mij, ondanks dat ik in een koepeltentje had moeten slapen omdat alle grote tenten bezet waren. Tijdens het ontbijt horen we af en toe een ijselijke schreeuw!? Dat moeten de bungy-jumpers zijn die zich met ware doodsverachting van het platform halverwege de brug in de diepte storten. Vanaf een balkon achter onze tenten heb je prima zicht op de springers. Een jongen uit Nieuw-Zeeland heeft de supervisie om er zeker van te zijn dat het helemaal veilig gebeurt. De manager van het resort fluistert me in dat ik het ter promotie ook wel even mag proberen, voor niets uiteraard! Als rechtgeaarde Hollander spitsen mijn oren meteen. Desalniettemin moet ik de manager teleurstellen en laat ik het cadeautje ter waarde van US$ 65 aan mijn neus voorbijgaan. Het op je kop aan een elastiekje bengelen behoort niet tot mijn favoriete sporten. 

Doe mij maar een watersport en daarom sluit ik me aan bij de rafters. We stappen in een bus en rijden een heel eind stroomafwaarts. Onderweg passeren we twee militaire controleposten en een plek waar nog maar kortgeleden een grote aardverschuiving is geweest. Een graafmachine is nog druk bezig de weg begaanbaar te maken. Na vijf minuten wachten kunnen we doorrijden naar het beginpunt van de rafttocht.
De Bhote Kosi-rivier wordt in deze tijd van het jaar voornamelijk gevoed door de regen en is daarom niet zo koud als een gletsjerrivier. Wetsuits worden dan ook niet verstrekt. Na een zeer uitgebreide instructie over wat je moet doen als je overboord valt gaan we van start met in totaal drie rubbervlotten en twee kayaks voor de veiligheid. Onze stuurman Piner is nog maar net terug uit Tibet waar hij op de rivieren rondom Lhasa vijf maanden lang met toeristen heeft gevaren. Met zijn ervaring weet hij het vlot feilloos vlak langs de grote rotsblokken te manoeuvreren. Als we een beetje gewend zijn stuurt hij ons met zijn pretogen door de hoogste golven die het vlot soms volledig overspoelen en ons bijna overboord duwen. Na de zoveelste stroomversnelling lukt het hem om één van ons uit het vlot te laten spoelen. Hilariteit alom natuurlijk! Onderweg pikken we nog een rafter op die met zijn vlot over de kop is gegaan en niet meer bij zijn maatjes kon komen.
Aan alle lol komt een eind, zo ook aan deze spectaculaire vlottocht. Voor drie van ons was dit een geheel nieuwe ervaring die zeker naar meer smaakt. Op het eindpunt staat de chauffeur op ons te wachten. Samen met de stuurmannen maakt hij een late, maar overheerlijke lunch voor ons klaar die we aan de waterkant opeten. Wel zelf even je bord afwassen a.u.b! 

We rijden terug richting het resort, maar niet voordat we in een dorpje onderweg gestopt zijn omdat één van de stuurlui een lange bestellijst door moet bellen naar Kathmandu. Nu pas begrijp ik dat ze op het resort helemaal geen telefoon hebben. Later hoor ik dat de telefoonlijnen al in 2003 door de Maoïsten vernietigd zijn. Het telefoontje duurt erg lang waardoor we genoodzaakt zijn de eigenaresse van een lokaal winkeltje van haar bier en chips af te helpen. In het volgende dorp hebben we weer een stop. Deze keer omdat er boodschappen voor het diner gedaan moet worden. Daar hebben we meer belang bij, dus we houden ons gedeisd alhoewel het nu wel lang gaat duren voordat we terug zijn bij het resort. Wanneer we weer op weg gaan en de twee controleposten gepasseerd zijn, blijft de bus op een gegeven moment op een heling steken. De achterwielen slippen door in de modderige ondergrond. De chauffeur die dit soort situaties gewend is bekijkt de situatie rustig. Hij laat de bus terugzakken tot onder aan de helling en probeert het opnieuw, echter met hetzelfde resultaat. Het begint inmiddels te schemeren en wij fantaseren over hoe we allang in de luie kussens hadden kunnen liggen, maar nu misschien in de bus moeten overnachten. Bij de volgende poging neemt de chauffeur een wat langere aanloop en dendert met een flinke vaart de helling op. Schuddend en slippend komen we uiteindelijk boven.

Bij het resort was onder de achterblijvers enige ongerustheid ontstaan. Zelfs de eigenaar Dave maakte zich enige zorgen. Nu ik hem hier voor het eerst zie herken ik hem van 1999 toen ik als backpacker in Kathmandu was. Ik wist niet beter of hij was de fotograaf die van die mooie diashows over Nepal gaf en nu blijkt hij samen met een partner de eigenaar van het resort te zijn.

De achterblijvers (de ouderen) hebben niet veel meer gedaan dan wat relaxen en zich laten masseren en dat was zeer goed bevallen. Degene die een bungy-jump wide maken had daar bij nader inzien toch maar van afgezien.

top 

Bhaktapur
De volgende ochtend vertrekken we om 9 uur met de bedoeling drie uur later in het koningsplaatsje Bhaktapur aan te komen, maar dit pakt anders uit.

De korte fotostop bij de aardverschuiving die ik in gedachten had wordt een verplichte stop van meer dan een uur. Er staat een vrachtwagen met pech vlak voor de smalle doorgang. Er wordt onder de truck driftig gesleuteld terwijl de file vrachtwagens erlangs probeert te komen. Met de wielen letterlijk op het randje van de afgrond kruipen de wagens met maar een paar centimeter speling langs de kapotte truck. Onze chauffeur heeft de taak op zich genomen om de chauffeurs stuuraanwijzingen te geven. Wij vinden het hele gedoe levensgevaarlijk, maar de Nepalezen zijn er aan gewend. De passagiers van een bus hebben er zoveel vertrouwen in dat ze lachend in en zelfs op het dak blijven zitten als de bus langs het instabiele randje rijdt. In dit gebied ontstaan met grote regelmaat dit soort aardverschuivingen. Na meer dan een uur is onze bus aan de beurt. Hij is gelukkig iets smaller zodat het eigenlijk weinig moeite kost te passeren, maar zekerheidshalve bekijken wij dat van een afstandje. 

In het volgende dorp is er een ander probleem. Vanwege het tien dagen durende Dashain-festival zijn duizenden mensen per bus op weg naar huis. Omdat er in het dorp een flessenhals is staat het verkeer nu volledig vast. Politie om het verkeer te regelen is er niet, dus iedereen blijft staan waar hij staat. Dit is grofweg het denkpatroon van praktisch alle chauffeurs hier. Eerst je bus zover mogelijk naar voren doorrijden totdat alles muurvast zit, bij voorkeur dubbel geparkeerd, en dan pas gaan kijken hoe je verder moet. Het geeft ons de gelegenheid het dorp te verkennen en wat snacks in te kopen. Met iemand uit de groep neem ik een strategische plek op de eerste verdieping in met uitzicht op de flessenhals. Na drie kwartier zie ik een aantal mannen met elkaar discussiëren en handgebaren maken. Het lijkt wel of ze een ingewikkelde puzzel moeten oplossen. Even later begint verkeer aan de ene kant zo ver mogelijk achteruit te rijden om zo wat ruimte te creëren voor de tegemoetkomende file. Een kwartier later ontstaat er zowaar enige doorstroming en weer een kwartier later zitten we in een langzaam rijdende file die het dorp verlaat. Met een vertraging van drie uur arriveren we in Bhaktapur, het stadje met een middeleeuws aandoend centrum waar auto’s verbannen zijn. We blijven er één nacht, in een klein hotel in het hart van het stadje. 

’s Ochtends zijn de meesten vroeg opgestaan om zoveel mogelijk van het festival mee te kunnen maken. Het is vandaag de offerdag, niet geschikt voor vegetariërs en mensen met een zwakke maag. In elk straatje wordt wel ergens een waterbuffel of geit geslacht, gewoon in de openlucht. Mijn favoriete plek is echter het zogenaamde ‘Pottery square’. Hier worden oude vrachtwagenwielen als draaitafel gebruikt om aardewerk potten en vazen te draaien. Midden op het plein worden ze vervolgens uitgestald om in de zon te drogen. Daarna worden ze met hooi ertussen opgestapeld tot een berg. Die wordt afgedekt met zand en dit geheel dient als oven om het aardewerk af te bakken. 

Kathmandu
Om elf uur vertrekken we richting de hoofdstad Kathmandu, waar de reis zal eindigen. In een uur zijn we bij ons hotel in de toeristische wijk Thamel waar de groep twee nachten zal blijven. Voor mij is het 4½ jaar geleden dat ik hier voor het laatst was en wat me opvalt is dat er totaal niets veranderd is in die tijd. Het winkeltje waar ik in 2000 een slaapzak had gehuurd en trekkingsokken had gekocht is nog precies hetzelfde. Zelfs die sokken verkopen ze nog steeds. Ook in de supermarkt ligt alles nog op exact dezelfde plaats. Kortom, het lijkt wel of ik hier vorige week nog geweest ben. 

Dezelfde middag nog gaan we met de hele groep naar de hindoeïstische Pashupathinath-tempel waar langs de heilige Bagmatirivier lijkverbrandingen plaatsvinden. Hier staat ook het sterfhuis en daarachter hoe praktisch, een bejaardentehuis. Gelukkig zijn de meeste bewoners dement en hebben ze er geen weet van.
Daarna staat de grootste stupa van Nepal, de boeddhistische Bodhnath, die het centrum vormt voor de Tibetaanse gemeenschap op het programma. Er is zoveel te zien in Kathmandu dat het moeilijk is een keuze te maken.  Daarom gaat iedereen de volgende dag op eigen houtje op verkenning door een wirwar van straten, steegjes en pleinen. ’s Avonds hebben we het afscheidsdiner in stijl op de sfeervolle veranda van een oud Ranahuis.

Terug naar huis
De laatste ochtend worden voor het definitieve vertrek de laatste souvenirs ingekocht. Om 2 uur breng ik twaalf van de zestien mensen naar het vliegveld. De overige vier blijven een dag langer en ikzelf twee dagen om op m’n gemak nog wat rond te kunnen kijken.
Via de hoofdstad Delhi vliegen ze met Lufthansa naar Frankfurt en vandaar naar Schiphol. Ikzelf vlieg op 14 oktober aan het eind van de middag met Sahara Air naar Delhi en ‘s nachts verder met Austrian Air via Wenen naar Schiphol.

Op zich niet zo ingewikkeld ware het niet dat de controle op het vliegveld van Kathmandu de zwaarste is die ik ooit heb meegemaakt. Om je even een idee te geven zet ik het op een rijtje. Bij binnenkomst in de vertrekhal wordt meteen je bagage, inclusief handbagage, en jezelf gescand. Om de grote bagage heen wordt een band getrokken als een soort zegel, er wordt een veiligheidscertificaat opgeplakt en in mijn geval wordt het hangslot afgetaped met een speciale sticker die je meteen kapot trekt indien je hem probeert te verwijderen. Dan wordt je zelf gefouilleerd.
Na het inchecken ga je door de douane waar je handbagage en je zelf, met je schoenen uit, weer gescand worden. Hoewel er geen verdachte voorwerpen op de monitor te zien zijn moet ieders handbagage open en wordt alles gecontroleerd. Buitenlanders moeten dan weer wachten op de security-officer die, als alles in orde is bevonden, een speciaal veiligheidslabel aan je handbagage hangt. Vervolgens ga je naar de vertrekhal waar een zeer vriendelijke meneer je verzoekt even mee te lopen om in een aparte ruimte je grote bagage aan te wijzen zodat ze zeker weten dat alle koffers e.d. bij iemand horen. 

‘Zo!’ denk je dan, ‘Nu hebben we alles gehad. Ik ben er doorheen!’. Maar helaas, onder aan de vliegtuigtrap is een speciale mobiele controlebalie ingericht. Weer wordt alle handbagage doorzocht en nu vindt de veiligheidsbeambte een verdachte spuitbus in mijn tas. ‘Sir, what is this?’ vraagt hij. ‘That’s insect repellent spray sir.’ antwoord ik braaf. ‘Oh, dat zou ook een giftig gas kunnen zijn meneer. Ik moet het helaas innemen, maar u krijgt het in Delhi weer terug.’ Hij doet een labeltje om de spuitbus dat er echter meteen weer afvalt. ‘Ik geloof niet dat ik dat flesje zo nog terug krijg meneer, maar ik heb het wel nodig want ik ga namelijk naar een land met heel veel insecten,’ bluf ik. Ik hoef me geen zorgen te maken beweert hij vriendelijk, het gaat helemaal in orde komen meneer. Enfin, hierna loop je de vliegtuigtrap op waar je als toegift dan nog één keer gefouilleerd wordt. ‘To be sure!’ Met een aan honderd procent grenzend gevoel van veiligheid zoek je vervolgens gerustgesteld je stoel op. Tot aan Delhi zit ik in het toestel van Sahara Air in ieder geval veilig, maar hoe zit het dan met de volgende twee vluchten? 

De vlucht met de onbekende Indiase prijsvechter Sahara Air valt in alle opzichten mee. Het cabinepersoneel is vriendelijk en er wordt een heerlijke tandori-chicken met, tot mijn verrassing, een blikje Heineken geserveerd. Misschien om al het ongemak te compenseren? In Delhi aangekomen vraag ik aan een grondsteward of hij misschien weet of er een pakketje voor me meegekomen is. Ik val bijna van verbazing achterover als hij drie minuten later triomfantelijk aan komt lopen met in zijn hand het bewuste pakketje met als opschrift ‘Deospray’.  

Groeten vanuit Arnhem, 

Vincent






Routekaart

Xian en Chengdu

Tibet

On the road!

Mount Everest Basecamp

Nepal

'Last resort' en raften

Bhaktapur en Kathmandu






Toch handig die vlag!?